Persbericht Tentoonstelling Rosa Spier Huis - Helen Schetlen

Erik Mattijssen

 

Vanaf 10 mei tot 20 juni 2010 is in het Rosa Spier Huis te Laren een tentoonstelling te zien van de veelkleurige stillevens van de beeldend kunstenaar Erik Mattijssen. Als je de tentoonstelling binnenloopt, denk je beslist dat er schilderijen worden getoond. Maar als je goed kijkt, zie je dat het tekeningen zijn - op papier dus - en uitgevoerd in pastel. Hij noemt ze zelf ook wel ‘collages’ in drie technieken, potlood, pastel en hier en daar gouache. Deze boeiende expositie is alle dagen geopend van 10 – 4 uur.

 

Uitbundige stillevens

Erik Mattijssen (1957 Veenendaal) woont en werkt in Amsterdam. Sinds het verlaten van de Gerrit Rietveld Academie in 1984 is hij zich gaan toeleggen op het tekenen. Eind jaren tachtig keerde hij er terug, nu als vakdocent. Het werken met studenten levert hem veel voldoening op en geeft hem volop energie om zich verder in zijn eigen kunstwereld te verdiepen. Mattijssen noemt zichzelf een doener. Als je zijn website bekijkt - www.erikmattijssen.nl – begrijp je waarom. Je vindt er niet alleen een boeiend (chronologisch) overzicht van zijn enorme oeuvre, maar ook uitvoerige informatie over wat hij allemaal gedaan en bereikt heeft.

Mattijssen reist graag. Zo was hij nog niet zo lang geleden een paar maanden in Suriname waar hij op de kunstacademie met studenten aan het werk ging. Daarna bezocht hij Japan en verbleef vervolgens een periode als visiting artist in Detroit.

Sinds de jaren negentig is het stilleven zijn belangrijkste onderwerp. Toen hij in 1994 een tijdje in Spanje verbleef, vond hij, zoals hijzelf zegt ‘zijn bron’. Ineens wist hij waar het bij hem om draaide. Hij raakte onder de indruk van de stillevens die hij in het Prado zag en ging ze zelf schilderen. Tijdens zijn opleiding aan de Rietveld begin jaren tachtig werden stillevens nog als oubollig afgedaan. In Spanje besefte hij dat het bij hem om de dingen ging, dat dingen deel uitmaken van zijn leven. Hij raakte geboeid door interieurs, delen daarvan. Hij tekent ze als ruimtes waarin zich mensen bevinden of die de indruk wekken net door mensen verlaten te zijn. Hij gebruikt ‘vreugdevolle’ heldere kleuren en voegt details toe die de fantasie van de toeschouwer onmiddellijk prikkelen. Iemand schreef: ‘Zijn werken hebben een zekere onhandigheid. Alsof de kunstenaar vaardigheid mist. Soms is er, zonder aanwijsbare reden, sprake van meervoudig perspectief. Soms levert licht inderdaad zijn onvermijdelijke schaduw op, soms helemaal niet’.

Op de tentoonstelling hangt ook een groep kleurrijke plant-, bloem- en vruchtstillevens. Het onderwerp vond hij in Suriname waar hij zich onder meer liet inspireren door aubergines-planten. Hij laat ze groeien (en bloeien?) in de karakteristieke Surinaamse rommelige blikken. Evenals zijn interieurs hebben ook deze pastellen een blijmoedige – en soms vervreemdende – uitstraling. Mattijssen geeft lezingen over zijn werk en nadat je de tentoonstelling bezocht hebt, heb je zin om de kunstenaar zelf over zijn veelzijdige werk te horen praten.

Zijn pastellen zijn veel gevraagd. Erik Mattijssen heeft een groot aantal solo tentoonstellingen op zijn naam staan en zijn werk bevindt zich in talrijke collecties van zowel bedrijven als musea.    

 

 

 

 

 

 

 

 


 

 

 

 

 

 

 

SPEL MET DE WERKELIJKHEID


Door Rob Perrée

Soms voelt de werkelijkheid zo weldadig dat ze van kleur verschiet.
Die indruk dringt zich op als ik de werken zie die Erik Mattijssen in 1995 in Spanje maakte.Veelkleurige verzamelingen van voedsel die de benaming ‘stilleven’ ontstijgen. Daarvoor zien de eetbaarheden er te lekker uit.

Ze zijn eerder uitnodigend neergelegd dan compositorisch verantwoord gearrangeerd. Geheel in de zuidelijke traditie van Cotán, Van der Hamen y León en Zurbarán. Creëren onze (noordelijke) traditionele stillevens een zekere, haast eerbiedwaardige afstand, die van Mattijssen verleiden.

In al hun gulzigheid. De kunstenaar moet een goede tijd hebben gehad

in Extremadura.


Terug in Nederland gaat hij aanvankelijk door op de ingeslagen weg. Langzamerhand echter dringt het verhaal zich naar binnen. De afgebeelde voorwerpen lijken zich te vermenselijken. Meubilair wordt zichtbaarder.

De aandacht wordt steeds meer verlegd naar wat er zich onder de (gedekte) tafel afspeelt. Opeens zijn daar ook voeten en stukjes been. Suggestieve elementen die mijn fantasie tot leven wekken. Wat gebeurt er?

Wie is daar bezig? Met wat?

Ook de objecten laten naar zich raden.
Hoewel de raadselachtige, ontstilde stillevens nooit helemaal zijn verdwenen, lijkt hij (voorlopig?) gekozen te hebben voor interieurs, voor ruimtes waarin zich mensen bevinden of die de indruk wekken net door mensen te zijn verlaten.

Maar Mattijssen zou Mattijssen niet zijn als hij ook in deze, vaak grote werken de werkelijkheid geen draai om de oren geeft. Door het gebruik van onnatuurlijke kleuren, maar vooral door het afbeelden van absurde combinaties. Een ongeordende berg kolen naast een keurig gedekte tafel.

Een groen gehandschoende man die zijn gezicht in een onduidelijke klomp (vlees?) steekt, terwijl iets verderop een emmer zich vult met een rode vloeistof uit een mysterieuze tank. Een man met een groen gezicht die een zwevend speelgoedbeest aan de lijn houdt. Een kast waar moordlustige haken en kettingen uitkomen. Waren zijn eerdere werken stills uit korte scènes, in deze nieuwe ‘doeken’ mag de scène zich in tijd uitstrekken,

zodat ik het gevoel kan en mag krijgen naar een absurdistisch, Arabaliaans toneelstuk te kijken.
De kunstenaar hanteert een bijzondere techniek, een techniek die ‘de inhoud’ lijkt te bevestigen. Op afstand ogen de werken als schilderijen. Weliswaar op papier, maar toch. Consequent als hij is hanteert hij ook bij de vorm het je-ziet-niet-wat-je-ziet-principe. Over elkaar aangebrachte lagen pastelkrijt suggereren slechts verf. Die verwarring wordt nog vergroot doordat Mattijssen hier en daar wél de gouachetechniek toepast en soms wél wat verfstreekjes aanbrengt. Hij doet dat mogelijk

ter verhoging van een bepaald visueel effect of wellicht ter afwisseling.

Door krijt te gebruiken houdt hij de notie van transparantie overeind.

Zijn kleurvlakken slibben nooit dicht.

De poli-interpretabele inhoud heeft een open vorm. Logica gesuggereerd. 
Er is nog een ander opvallend technisch element. Zijn werken hebben een zekere onhandigheid. Alsof de kunstenaar vaardigheid mist. Soms is er, zonder aanwijsbare reden, sprake van meervoudig perspectief. Soms levert licht inderdaad zijn onvermijdelijke schaduw op, soms helemaal niet.

Ruimtes hebben niet altijd de juiste diepte, stoffen hangen niet altijd natuurlijk neer. Die vermeende onkunde benadrukt echter het spel met de werkelijkheid. Bovendien versterkt ze de ontroering, de emotionele lading van de verhalen.

Zoals onvolmaakte mensen ontroeren. Zoals kinderlijke onhandigheid voor je inneemt.


Voordat Erik Mattijssen naar Spanje ging maakte hij zwart-wit-tekeningen. Vormen die nu eens organisch en eetbaar leken (worsten, takken?), dan weer deel uitmaakten van onduidelijke apparaten. Ze waren heel precies getekend. Details als hoofdzaken. Merkwaardig genoeg komt op één van zijn laatste werken weer een ‘ouderwets’ getekend object voor.

Een bundeling van precieze lijntjes in alle gradaties van zwart naar grijs. Het lijkt te ademen. Het is omringd door allerlei kleurige elementen.
Ik weet niet of hier sprake is van een nieuwe ontwikkeling, een behoefte aan verfijning of een behoefte het scala aan tekenmogelijkheden uit te breiden. Mogelijk is er slechts sprake van een incident of een onbewuste, maar wel al uitgetekende behoefte aan een hernieuwde kennismaking

met Spanje.
Mattijssen’s spel met de werkelijkheid lijkt zijn werk te overstijgen en zijn eigen artistieke werkelijkheid te raken.
Ik ben benieuwd hoe dat afloopt.

Brooklyn, februari 2003.

 
 

PLAYING WITH REALITY


By Rob Perrée

Reality can sometimes be so salubrious that it changes colour.
This is what springs to mind when I look at the work Erik Mattijssen made in Spain in 1995. Colourful collections of foodstuffs that transcend the classification ‘still lives’. The edibles look far too tempting for that. The artist seems to have arranged them more as an invitation than a composition. Which is entirely in line with the southern tradition of Cotán, Van der Hamen y León and Zurbarán. Where our (northern) still lives traditionally create a certain respectful distance, those of Mattijssen seduce. In all their greed. The artist surely enjoyed his time in Extremadura.


Back in Holland, he continues where he left off – at first. But the story gradually unfolds. The artist’s subjects seem to become human. Objects (furniture?) slowly start to take shape. Our attention is increasingly drawn to the goings on beneath the (covered) table where feet and sections of leg suddenly appear. Suggestive elements that spark my imagination. What’s happening? Who’s under there? With what? Even the objects fire our curiosity.Although the enigmatic decidedly unstill still lives never completely disappear, Mattijssen seems to have chosen interiors (for now?), spaces with a human presence, or that at any rate suggest recent habitation. But Mattijssen would not be Mattijssen if he resisted toying with reality in these – often large – pieces. By using unnatural colours and, above all, by depicting ludicrous combinations. A chaotic mound of cabbages alongside a neatly set table. A man wearing green gloves pressing his face into an amorphous lump of something (could it be meat?) while a little further we see a bucket filling itself with red fluid from a mysterious tank. A man with a green face walks his cuddly toy, which floats at the leash. A cupboard overflows with brutal hooks and chains. Where his earlier works were stills from short scenes, these new ‘canvases’ allow the scenes to expand, giving me – allowing me – the sensation of watching an absurd Arabalian play. The artist uses an unusual technique, a technique that seems to reinforce ‘the content’. From a distance, the works look like paintings. Perhaps just on paper, but nonetheless. Consistent as he is, Mattijssen uses the you-don’t-see- what-you-see principle in his forms. Overlapping layers of pastel crayon merely suggest paint – a confusion that is magnified by the artist’s use of gouache techniques here and there, and the odd brushstroke. This may work to heighten a specific visual effect, or to add variety. The artist’s use of pastel crayon strengthens the concept of transparency. His passages of colour are never dense and flat. The multi-interpretable content is reflected in Mattijssen’s open translation of form. A logic suggests itself. Another striking technical element is the artist’s seeming lack of finesse, a certain heavy-handedness. Sometimes, for no apparent reason, multiple perspectives crop up. Light sometimes throws an inevitable shadow, but not always. Rooms don’t always have the correct depth – fabrics don’t always hang naturally. This seeming clumsiness, however, works to underline Mattijssen’s manipulation of reality while also giving the emotional charge of the stories extra depth, extra poignancy. In the way that human imperfection can be poignant. Just as childish awkwardness can be touching.


Before Erik Mattijssen’s sojourn in Spain, he made black and white drawings. Forms that seemed organic and edible (sausages – twigs?) while at the same time parts of curious machines. Drawn with precision. Detail was everything. But, strangely enough, one of his ‘old fashioned’ precision drawn objects appears in a recent work – a cluster of delicate lines in all graduations from black to grey. It seems to breathe. Surrounded by an array of colourful elements. I don’t know if this is a new development, a need to refine or a call to expand the language of drawing. Perhaps it’s merely incidental, or an unconscious but already articulated need to return to Spain. Mattijssen’s game with reality seems to transcend his own work, touching his own artistic reality. How will the story end?

Brooklyn, February 2003.

 
           
     
     
   
     
   
     
   
     
     
   
     
     
     
   

Erik Mattijssen schildert interieurs die van een specifieke verlatenheid getuigen. De ruimtes bevinden zich tussen twee momenten in: er zijn mensen gegaan en er zullen mensen komen, maar nu ligt de ruimte te wachten. Het zijn opslagruimtes van menselijke ervaringen, gedachten en geschiedenissen. De voorwerpen in de ruimte laten ingehouden zien wat hun potentie is voor menselijk gebruik, maar misschien kun je ze toch beter met rust laten, want de eenzaamheid en het sociale onvermogen druipt er van af. Hoe moet je het daar gezellig maken? Toch bieden de tekeningen ook hoop. “Maak er wat van,” zeggen ze. Je hoeft het niet te pikken hoe hier voorwerpen in de ruimte staan. Je kunt ze ook anders rangschikken en op een manier gebruiken die jou bevalt. Als je een andere lichtval kiest, verdwijnen de morsige kleuren. Alles op deze tekeningen heeft een innerlijke gloed die je door de buitenkant heen vermoedt en die je zelf te voorschijn moet halen. De kunstenaar reikt je iets aan, wat je zelf moet visualiseren en bedenken. Op veel schilderijen van Mattijssen is een bed te zien, een bed in een kamer. Ieder bed in een kamer die we uit de kunstgeschiedenis kennen, ligt in dat werk onder de dekens, of opgestapeld als beddengoed op de matras. Een dun matras. Comfort in de zin van luxe bestaat niet in het werk van Mattijssen. Het comfort is de eenvoud, dat je niet hoeft na te denken wat je kunt gebruiken, want er is vrijwel niks en daardoor al weer bijna te veel. Je kunt op dat bed gaan liggen en zinloos de ruimte in staren. Je kunt ook slapen en dromen.

© Copyright 2006: Alex de Vries.